Opzet

Ik hanteer vooreerst drie eenvoudige maar des te belangrijke principes om mijn tuin zo “ecologisch verantwoord” mogelijk te houden:

Principe 1: Geen pesticiden

Daarmee bedoel ik: geen herbiciden, fungiciden, algiciden, insecticiden of eender welke -cide en dit ten allen tijden! Ongewenste kruiden op een bepaalde plaats worden manueel uitgetrokken of overschaduwd door aanplanting. Bij hardnekkig “onkruid” duurt dat net iets langer, ja. In mijn tuin is trouwens geen enkel kruid ongewenst, al kan het zijn dat ik het liever op een andere plaats zie staan.

Principe 2: Geen meststoffen

Ik bemest niets. Ik heb een composthoop, maar heb de compost ervan nog niet gebruikt. Bemesten betekent meer nutriënten in de bodem stoppen. De intensieve landbouw in Vlaanderen zorgt er al voldoende voor dat er nutriënten via regenwater op je stekje insijpelen. Vele soorten vragen een armere bodem om ten volle te kunnen opboksen tegen soorten die een rijkere boden verkiezen. In Vlaanderen zijn deze laatste veruit in de meerderheid en worden daarom soms ook “banale” soorten genoemd. De brandnetel is een goed voorbeeld, al zou ik hem niet durven te bestempelen al banaal: het is een uitstekende waardplant voor tal van vlinders en andere insecten. Het jammere is dat er naast brandnetel liefst ook andere kruiden in je tuin staan om die vlinders etc.. te voeden. Welnu, een overbemeste tuin zal voornamelijk soorten bevatten die goed aarden in rijke grond en vele bloemende kruiden moeten ontberen die niet opgewassen zijn tegen deze snelgroeiers!

Principe 3: voorkeur voor inheemse soorten (of zelfs autochtone soorten)

Een delicaat onderwerp… niet enkel voor de tuinier die graag zijn mooi bloeiende rhododendron ziet, zijn best wel lekkere perzikboom graag kiemvrij houdt en dergelijke. Ook de overtuigde “eco-tuinder” heeft soms moeite met het begrip “eigen plantjes eerst”. Begrijpelijk: in een samenleving waar multiculturaliteit als een algemene deugd wordt aanzien, is het niet evident goede argumenten te vinden om enkel flora aan te planten dat “van hier” komt. Nochtans zijn er veel argumenten die hiervoor pleiten. Ten eerste huizen inheemse planten meer insecten, vogeltjes, spinnen, etc… dan de uitheemse sierplanten of cultivars.

Op zich betekent dit dat een tuin met veel inheemse planten, ook meer inheemse dieren zal huizen en dus een grotere biodiversiteit zal hebben dan de klassieke siertuin. Ten tweede zullen die planten ook meer natuurlijke vijanden hebben. Waar is dit goed voor? Wel, een uitheemse plant met weinig tot geen natuurlijke vijanden (denk hier aan schimmels, bacteriën, rupsen e.d.) zal sneller woekeren en zo dus de plaats inpalmen van - je raadt het al - inheemse planten. Goede voorbeelden hiervan zijn de Amerikaanse vogelkers en de Japanse duizendknoop.

En dan nu een stapje verder: ik tracht zoveel mogelijk autochtone planten aan te planten. Wat autochtoon of oorspronkelijk inheems betekent, kan je het beste illustreren met een voorbeeld. Neem de Zomereik. Dit is een boom die inheems is in het grootste gedeelte van Eurazië. Als ik een eikje plant dat is opgegroeid uit zaad van een boom uit de Balkan, dan heb ik nog steeds een inheemse boom geplant, maar autochtoon is hij niet. Vele boomkwekerijen werken met goedkoper zaad uit de Balkan of Turkije. Wat is hier dan het probleem?

Autochtone soorten zijn volledig aangepast aan ons klimaat en bodem. Ze bloeien in onze streken op de momenten dat de bestuivende insecten ook op zoek gaan naar hun bloemen, zetten vrucht wanneer die ook gegeerd is door onze vogels, eekhoorns etc… Een eik uit de Balkan, gaat bijvoorbeeld vroeger bleien, eerder zaad zetten en kan verzwakken door plotse vorstprikken die het niet zou kennen in zijn streek van oorsprong. Wil je hier meer over weten, contacteer dan het INBO.

  1. No comments yet.
(will not be published)
  1. No trackbacks yet.